
Jurisprudentie
AZ0109
Datum uitspraak2006-09-29
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers22-00158-06
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers22-00158-06
Statusgepubliceerd
Indicatie
De verdachte heeft zich maandenlang met illegale wapenhandel beziggehouden. Hij heeft daarbij verscheidene handvuurwapens en munitie (al dan niet met een of meer anderen) aan anderen overgedragen en voorhanden gehad. Dat verdachtes wapenhandel weinig lucratief lijkt te zijn geweest, doet niets af aan 's hofs constatering dat de verdachte maandenlang van wapenhandel een gewoonte heeft gemaakt. Voorts heeft de verdachte een kennis de mogelijkheid geboden een handelshoeveelheid heroïne in zijn kelderbox op te bergen. Het hof legt - mede vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid - een lagere gevangenisstraf op dan door de rechtbank is opgelegd en door de A-G gevorderd.
Niet is gebleken dat de verdachte door de vragen van de pseudokoper tot andere strafbare feiten is gebracht dan waarop zijn (generieke) opzet reeds was gericht. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft aangegeven dat hij reeds in augustus 2004 twee wapens van een vriend ter verkoop aangeboden had gekregen en dat hij toen een derde al met die mededeling heeft benaderd. Het optreden van die pseudokoper kan met betrekking tot de twee pseudokopen derhalve niet als uitlokking worden aangemerkt.
De onder de verdachte inbeslaggenomen nep-viagra dient aan hem te worden teruggegeven, nu het geen voorwerpen zijn die in de zin van artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als bewezenverklaard.
Uitspraak
Rolnummer: 22-000158-06
Parketnummer(s): 09-754005-05 en 09-650067-05
Datum uitspraak: 29 september 2006
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 23 december 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1972,
thans verblijvende in d[detentieadres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 15 september 2006.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte zijn de feiten in de inleidende dagvaarding met parketnummer 09-754005-05 tenlastegelegd, zoals deze ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader zijn omschreven. Voorts zijn aan de verdachte de feiten tenlastegelegd die vermeld staan in de inleidende dagvaarding met parketnummer 09-650067-05, die ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie zijn gewijzigd. Van de inleidende dagvaarding met parketnummer 09-650067-05 en de bijbehorende wijziging tenlastelegging, alsmede van bovengenoemde nadere omschrijving tenlastelegging met betrekking tot parketnummer 09-754005-05 zijn kopieën in dit arrest gevoegd. Het hof heeft de feiten die hierin zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien. Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het onder 5 primair en subsidiair, 9 primair en subsidiair en het onder 10 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair, 2, 3, 4, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 10 subsidiair, 11 primair, 12 primair en 13 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken ter zake van het onder 5 en 9 tenlastegelegde.
Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.
Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte met betrekking tot het onder 6 en 7 tenlastegelegde (de zaken Pink en Black), nu er bij de pseudokoop sprake is geweest van feitelijke infiltratie en uitlokking door opsporingsambtenaar [identificatienummer] ([bijnaam opsporingsambtenaar]).
Het hof overweegt dienaangaande het volgende.
Uit het met betrekking tot de pseudokopen op 19 oktober 2004 en 12 januari 2005 gerelateerde en de aanlopen daarnaartoe, is niet gebleken dat de verdachte door de vragen van [bijnaam opsporingsambtenaar] tot andere strafbare feiten is gebracht dan waarop zijn (generieke) opzet reeds was gericht. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg heeft aangegeven dat hij reeds in augustus 2004 twee wapens van een vriend ter verkoop aangeboden had gekregen en dat hij toen [een derde] al met die mededeling heeft benaderd. Het optreden van [bijnaam opsporingsambtenaar] met betrekking tot de twee pseudokopen kan derhalve niet als uitlokking worden aangemerkt. De stelling van de raadsman dat sprake was van infiltratie door [bijnaam opsporingsambtenaar] mist feitelijke grondslag en dient derhalve te worden verworpen.
Nu ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 10 primair en onder 13 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 10 subsidiair, 11 primair en 12 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Rechtmatigheid van het bewijs
Door de verdediging is aangevoerd dat, indien het hof in verband met de (door de verdediging gestelde) politiële infiltratie annex uitlokking bij de pseudokopen niet tot niet-ontvankelijk-verklaring van het openbaar ministerie komt, het hof al het bewijsmateriaal met betrekking tot het onder 6 en 7 tenlastegelegde (de zaken Pink en Black) door die uitlokking als onrechtmatig verkregen buiten beschouwing dient te laten.
Het hof is van oordeel dat dit bewijsverweer dient te worden verworpen op de gronden die hiervoor bij de bespreking van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zijn weergegeven.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:
Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, terwijl hij van het ter beschikking stellen of verhandelen van wapens of munitie een gewoonte maakt;
en:
Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl hij van het ter beschikking stellen of verhandelen van wapens of munitie een gewoonte maakt, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, terwijl hij van het ter beschikking stellen of verhandelen van wapens of munitie een gewoonte maakt, meermalen gepleegd;
en:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl hij van het ter beschikking stellen of verhandelen van wapens of munitie een gewoonte maakt, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:
Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl hij van het ter beschikking stellen of verhandelen van wapens of munitie een gewoonte maakt, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van het onder 6, 7 en 8 bewezenverklaarde:
Medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, terwijl hij van het ter beschikking stellen of verhandelen van wapens of munitie een gewoonte maakt, meermalen gepleegd;
en:
Medeplegen van handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, terwijl hij van het ter beschikking stellen of verhandelen van wapens of munitie een gewoonte maakt, meermalen gepleegd.
Ten aanzien van het onder 10 bewezenverklaarde:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, terwijl hij van het ter beschikking stellen of verhandelen van wapens of munitie een gewoonte maakt.
Ten aanzien van het onder 11 en 12 bewezenverklaarde:
Handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, terwijl hij van het ter beschikking stellen of verhandelen van wapens of munitie een gewoonte maakt, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep , vrijspraak van de verdachte ter zake van het onder 10 primair en onder 13 tenlastegelegde, en veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2, 3, 4, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 10 subsidiair, 11 primair en 12 primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, met aftrek van voorarrest en met beslissing omtrent het inbeslaggenomene overeenkomstig de beslissingen van de rechtbank dienaangaande.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich maandenlang met illegale wapenhandel beziggehouden. Hij heeft daarbij verscheidene handvuurwapens en munitie (al dan niet met een of meer anderen) aan anderen overgedragen en voorhanden gehad. Het behoeft geen betoog dat tegen dergelijke handel krachtig dient te worden opgetreden, nu dergelijke verstrekkingen - naar de ervaring leert - het schieten met die vuurwapens, de escalatie van situaties en het intreden van onomkeerbare gevolgen in de hand werken. Dat verdachtes wapenhandel weinig lucratief lijkt te zijn geweest, doet niets af aan 's hofs constatering dat de verdachte maandenlang van wapenhandel een gewoonte heeft gemaakt.
Voorts heeft de verdachte een kennis de mogelijkheid geboden een handelshoeveelheid heroïne in zijn kelderbox op te bergen. Heroïne is een middel waarvan het gebruik schadelijk is voor de volksgezondheid. Bovendien leidt het gebruik van en de handel hierin direct en indirect tot vele vormen van criminaliteit. Verdachtes faciliterende optreden in dezen acht het hof derhalve eveneens ontoelaatbaar.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven vastbesloten te zijn om zijn werkend bestaan en gezinsleven weer op te pakken en zich verre van bovengenoemd handelen te zullen houden.
Rekening houdend met alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel, mede vanuit het oogpunt van rechtsgelijkheid, dat een gevangenisstraf van navermelde duur - derhalve een lagere straf dan in eerste aanleg opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd - een passende en geboden reactie vormt.
Beslag
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven wapens en munitie, vermeld onder de nummers 3, 11 tot en met 19, 21 en 22 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, met betrekking tot welke het onder 2, 4, 6 en 7 bewezenverklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang. De inbeslaggenomen heroïne, vermeld onder nummer 4 op voormelde lijst, dient eveneens te worden onttrokken aan het verkeer.
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven munitie, vermeld onder nummer 10 op voormelde lijst, is ook vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. De munitie is immers bij gelegenheid van het onderzoek naar de door de verdachte begane overtredingen van de Wet wapens en munitie in zijn brievenbus aangetroffen en behoort naar civiele maatstaven aan de verdachte toe, terwijl de munitie kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven en deze van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.
De inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, vermeld onder de nummers 5, 6 en 7 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu met behulp van het onder 5 vermelde mesje het onder 3 bewezenverklaarde is begaan en/of voorbereid en met behulp van de onder 6 en 7 vermelde telefoons een of meerdere bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De voorwerpen, vermeld onder de nummers 8, 9 en 20 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, dienen ingevolge het bij artikel 36b lid 2 juncto artikel 33b van het Wetboek van Strafrecht eveneens verbeurd te worden verklaard, aangezien daarin pistolen en munitie waren verpakt.
Ten aanzien van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven blisters met daarin nep-Viagra-pillen en de bijbehorende tas, vermeld onder de nummers 1 en 2 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof, gezien het bij arrest van de Hoge Raad op 6 mei 1997 overwogene (LJN: ZC9322), de teruggave gelasten aan de verdachte. Het zijn immers geen voorwerpen die in de zin van artikel 36d van het Wetboek van Strafrecht kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten als bewezenverklaard.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 33b, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 (oud), 10 (oud) en 13a van de Opiumwet en de artikelen 26, 31 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 10 primair en onder 13 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2, 3, 4, 6 primair, 7 primair, 8 primair, 10 subsidiair, 11 primair en 12 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.
Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart onttrokken aan het verkeer: de voorwerpen, vermeld onder de nummers 3, 4, 10 tot en met 19, 21 en 22 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Verklaart verbeurd: de voorwerpen, vermeld onder de nummers 5 tot en met 9 en 20 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Gelast de teruggave van de blisters met nep-Viagra-pillen, alsmede de tas waarin deze verpakt zaten, zoals vermeld onder de nummers 1 en 2 op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, aan de verdachte.
Dit arrest is gewezen door mrs. S.C.H. Koning, C.G.M. van Rijnberk en E.P.J. Myjer, in bijzijn van de griffier mr. B.A.A. Postma.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 september 2006.